Bővebb ismertető
HET DUISTER VAN DE OERTIJD
/ Een bedreigde soort
De droogte duurde nu tien miljoen jaar en het rijk van de ver-schrikkelijke hagedissen was al lang voorbij. Hier aan de evenaar, in het werelddeel dat eenmaal Afrika zou heten, had de strijd cm het bestaan een nieuwe elimax van wreedheid be-reikt. Wie de overwinnaar zou zijn, was nog niet te voorzien. In dit onvruchtbare, uitgedroogde land kon alleen wie klein, vlug of fei was, gedijen of zelfs maar hopen in leven te blijven.
De mensapen van de steppe waren niets van dat alles en daarom gedijden zij niet; zij waren in werkelijkheid al aardig op weg om uit te sterven. Een vijftigtal van hen woonden in een reeks grotten boven een klein, dor dal, dat door een traag strömend riviertje in tweeen werd gedeeld. Het riviertje kreeg zijn water van de met sneeuw bedekte bergen, driehonderd kilometer naar het noorden. In siechte tijden verdween het helemaal en dan leefde de stam onder de dreigende schaduw van de dorst.
De stam had altijd al honger gehad, maar nu kwam ze langzaam van honger om. Toen het eerste ochtendlicht de grot binnenkroop, zag Maanwaker dat zijn vader die nacht was gestorven. Hij wist niet dat de Oude zijn vader was, want een dergelijke relatie ging zijn bevattingsvermogen totaal te boven, maar toen hij naar het uitgeteerde lichaam keek, voelde hij een vage onrust die de voorvader was van de droefheid.
De twee kleintjes jankten al om eten, maar zwegen ver-schrikt toen Maanwaker naar hen gromde. Om het kind dat zij niet behoorlijk kon voeden, te verdedigen gaf een van de moeders hem een woedende grauw terug; hij had zelfs de kracht niet om haar voor die brutaliteit een klap te geven.
Het was nu licht genoeg om naar buiten te gaan. Maanwaker greep het verschrompelde lijk en bukkend voor de läge uitgang sieepte hij het achter zieh aan naar buiten. Daar wierp hij het over zijn schouder en ging rechtop staan -het enige dier in deze hele wereld dat daartoe in Staat was.